Wijziging belastingverdrag Duitsland-Nederland per 1 januari 2023

De bouwbranche tijdens de Oekraïne-oorlog

Het belastingverdrag tussen Duitsland en Nederland bepaalt aan welke van beide staten het recht van belastingheffing moet worden toegekend. Dit voorkomt dat er eventueel dubbel belasting wordt geheven over inkomsten.

Met ingang van 1 januari 2023 zijn er enkele belangrijke wijzigingen van het verdrag van kracht. Hieronder worden de belangrijkste wijzigingen kort toegelicht.


Gewijzigde voorwaarden ‘vaste inrichting’

Volgens het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland mag over de winst van een onderneming alleen belasting worden geheven in de andere verdragsluitende staat als de onderneming daar een vaste inrichting heeft. Tot 31 december 2022 was het echter uitgesloten dat door bepaalde bedrijfsactiviteiten een vaste inrichting als bedoeld in het belastingverdrag werd gevestigd. Vanaf 1 januari 2023 worden deze uitzonderingen duidelijk beperkt.
Vanaf 2023 gelden werkzaamheden alleen nog maar als uitzondering als zij van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheid hebben. Dit heeft met name gevolgen voor de internationale verkoopstructuren.


Een Nederlands bedrijf heeft een magazijn in Duitsland.
Tot 31 december 2022 gold - volgens het belastingverdrag - dat dit bedrijf in Duitsland geen vaste inrichting heeft. Bijgevolg mocht Duitsland geen belasting heffen over de inkomsten van het magazijn.
Vanaf 1 januari 2023 geldt dit alleen als de werkzaamheden in het magazijn slechts van voorbereidende aard zijn of het karakter van een hulpwerkzaamheid hebben. Hierbij wordt per individueel geval bepaald wanneer hiervan sprake is. Is dit niet het geval, dan wordt het recht om belasting te heffen aan Duitsland toegewezen.

Nederlandse ondernemers met activiteiten in Duitsland (of omgekeerd) die tot nu toe onder de uitzonderingen vielen en dus niet in Duitsland gevestigd waren met een vaste inrichting, moeten controleren of deze rechtspositie verandert als gevolg van het nieuwe dubbelbelastingverdrag.


Pensioenen en sociale uitkeringen

Tot 31 december 2022 moest over pensioenen, lijfrentes, uitkeringen op grond van de sociale wet- en regelgeving en soortgelijke uitkeringen, belasting in het woonland worden betaald, mits het brutobedrag van deze uitkeringen in totaal niet meer dan 15.000 euro bedroeg. Als het totale bedrag hoger was, moest over deze bedragen belasting in dat land worden betaald, dat deze bedragen heeft uitgekeerd.

U woont in Duitsland en ontvangt in een kalenderjaar bedrijfspensioen(en) ten bedrage van 12.500 euro en sociale uitkeringen ten bedrage van 12.500 euro uit Nederland. Het totale bedrag (25.000 euro) is hoger dan de drempel (15.000 euro); tot 31 december 2022 mocht Nederland daarover belasting heffen.

Vanaf 1 januari 2023 moet over sociale uitkeringen (zoals loondoorbetaling bij ziekte, ziekengeld, ouderschapsuitkering, werkloosheidsuitkering en soortgelijke sociale uitkeringen) belasting worden betaald in het land dat ze uitkeert. Zodoende mag het land dat de sociale uitkering verstrekt, hierover ook belasting heffen. Voor andere uitkeringen blijft de grens van 15.000 euro bestaan (bijvoorbeeld voor de Nederlandse pensioenverzekeringen AOW en ANW en voor de Deutsche Rentenversicherung).

Vanaf 1 januari 2023 moet nog steeds in Nederland belasting worden betaald over deze sociale uitkeringen, omdat ze door Nederland worden uitgekeerd. Over de AOW, die minder dan 15.000 euro bedraagt, moet in het woonland Duitsland belasting worden betaald.

Heeft u vragen over de wijziging van het belastingverdrag Duitsland-Nederland? Neem dan contact op met Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., Steuerberaterin/Fachberaterin für Internationales Steuerrecht.

No video selected.
  • gepubliceerd : maandag, 16 januari 2023