Europees Hof: scheidsgerechten zijn onverenigbaar met EU-recht

Arbitrage bij investeringsgeschillen binnen de EU is in strijd met EU-recht inzake bilaterale verdragen, aldus een recente uitspraak van het Europees Hof van Justitie in Luxemburg

Europees Hof: scheidsgerechten zijn onverenigbaar met EU-recht

Het arbitragemechanisme als middel om handelsgeschillen tussen EU-landen op te lossen, is volgens het Europees Hof van Justitie niet verenigbaar met EU-recht, aangezien in de Gemeenschappelijke Markt EU-recht van toepassing is. Hierdoor zijn alleen officiële rechterlijke instellingen bevoegd om zulke geschillen in behandeling te nemen.

Arbitragecommissies mogen op basis van Europese verdragen niet als rechtbank van een lidstaat geclassificeerd worden, waardoor niet gewaarborgd is dat zo’n instantie in staat is EU-recht doeltreffend te garanderen.

In het concrete geval ging het om een bilateraal arbitragemechanisme dat Nederland en het voormalige Tsjechoslowakije 1991 hebben uitgewerkt om geschillen met investeerders op te lossen. Met het bilaterale investeringsverdrag legden Nederland en (vanaf 1993) Slovakije een mechanisme vast, om conflicten op te lossen tussen Nederlandse investeerders en de Slovaakse overheid, of omgekeerd. Er wordt bij conflicten een "scheidsgerecht" ingesteld met rechters die door de investeerder en de overheid in kwestie worden aangeduid.

De kwestie belandde bij de hoogste rechterlijke instelling van de Europese Unie, omdat Slovakije en de Nederlandse verzekeringsmaatschappij  Achmea in 2006 een dispuut kregen. Achmea was naar het scheidsgerecht getrokken tegen de beslissing van de Slovaakse overheid, om de liberalisering van de markt voor zorgverzekeringen gedeeltelijk ongedaan te maken en de uitkering van winsten uit het zorgverzekeringsbedrijf te verbieden. De arbiters veroordeelden Slovakije tot een schadevergoeding van 22,1 miljoen euro, waarop de Slovaakse overheid in beroep ging naar een officiële nationale rechterlijke instantie, in dit geval het Duitse Bundesgerichtshof; omdat de plaats van arbitrage Frankfurt am Main was, waren de Duitse rechterlijke instanties bevoegd om de rechtmatigheid van de scheidsrechterlijke beslissing te toetsen. Deze rechtbank vroeg op haar beurt advies aan het Europees Hof van Justitie. Het Europees Hof oordeelde dat het arbitragemechanisme niet verenigbaar is met het EU-recht. Het is namelijk niet zeker dat uitspraken van de aangeduide rechters getoetst kunnen worden aan het nationale en het Europese recht, waardoor afbreuk gedaan wordt aan de autonomie van het EU-recht. De uitspraak van het Europees Hof zou trouwens wel eens gevolgen kunnen hebben voor de bijna 200 bilaterale investeringsverdragen tussen de EU-lidstaten die momenteel van kracht zijn.

Heeft u vragen over geschillenbeslechting door arbitrage in Duitsland neem dan contact op met Heinz-J. Klönne.

 

  • gepubliceerd : maandag, 14 mei 2018