Belastingheffing over ontslagvergoeding duidelijker geregeld

Welk land heeft het heffingsrecht, als na ontslag in Duitsland en verhuizing naar Nederland beide landen verwikkeld zijn in de fiscale afhandeling van een ontslagvergoeding?

Belastingheffing over ontslagvergoeding duidelijker geregeld

Sinds jaar en dag is belastingheffing over ontslagvergoedingen een hot issue in het internationale belastingrecht. Gezien een ontslagvergoeding gepaard gaat met de beëindiging van een betrekking en op de beëindiging van deze betrekking wellicht een verhuizing naar elders volgt – bijvoorbeeld door terugkeer naar het land van herkomst –, zijn vaak twee landen in de belastingheffing verwikkeld: het land waarin het dienstverband bestond en het nieuwe woonland na verhuizing.

Eventueel maken beide landen aanspraak op de belastingheffing. Dan rijst de vraag, welk land het recht op belastingheffing heeft en hoe hoog de ontslagvergoeding respectievelijk belast wordt.

Tot voor kort was het in Duitsland een kwestie van interpreteren. Hierbij ging het om de vraag, of volgens het Verdrag ter Voorkoming van Dubbele Belasting (Doppelbesteuerungsabkommen, DBA) het voormalig werkland dan wel het nieuwe woonland het heffingsrecht had. Begin 2017 heeft de Duitse wetgever bepaald dat ontslagvergoedingen als “aanvullende vergoedingen voor vroegere werkzaamheden beschouwd dienen te worden”, het heffingsrecht zodoende bij het voormalig werkland ligt; een andere uitleg is slechts dan van toepassing, indien in het DBA uitdrukkelijk het nieuwe woonland als heffingsgerechtigd wordt aangewezen. Aan het wetsontwerp voorafgegaan was een initiatief van de Duitse Bundesrat (Eerste Kamer van het parlement) die een eind wilde maken aan de lucratieve mogelijkheid, om in geen van beide landen belasting over ontslagvergoedingen te betalen.

Ontslagvergoeding na verhuizing naar Nederland

De situatie voorafgaand aan de wettelijke regeling was als volgt. Werknemer X is bijvoorbeeld tot en met 30 november 2015 werkzaam bij een Duitse GmbH. Met ingang van 1 december 2015 gaat zijn ontslag in, hem toegezegd is een ontslagvergoeding. Blijft X na zijn ontslag in Duitsland wonen, wordt de ontslagvergoeding in Duitsland belast, X is hier per slot van rekening onbeperkt belastingplichtig. Gaat X als belastingplichtige na beëindiging van zijn werkzaamheden uit Duitsland weg en de ontslagvergoeding wordt vervolgens na zijn verhuizing in het jaar 2016 naar het buitenland overgemaakt, is hij als voormalig werknemer weliswaar in Duitsland slechts beperkt belastingplichtig. Maar volgens het nationale belastingrecht valt zijn ontslagvergoeding desondanks onder de in Duitsland te belasten inkomsten. Het (toenmalige) Duitse belastingrecht impliceert dus, dat er een belastingplicht bestaat ongeacht het feit, of X in Duitsland blijft wonen of na beëindiging van zijn dienstverband naar het buitenland vertrekt. Maar net zo goed kan het land, waar X na 2015 zijn vaste woonplaats neemt, de ontslagvergoeding belasten. Om een dubbele heffing te voorkomen kan het Duitse belastingrecht door het DBA worden beperkt.

Deze fiscaalrechtelijke situatie zorgt er echter ook voor, dat ontslagvergoedingen voor belastingplichtigen die naar elders zijn verhuisd en hun ontslagvergoeding pas in het jaar daarop ontvangen, vaak in het geheel niet worden belast, gezien veel landen, waarmee Duitsland een dubbele belasting verdrag heeft afgesloten, de OESO-richtlijnen volgen en het recht op belastingheffing het voormalige werkland toewijzen. De Duitse fiscus is van mening dat het dubbele belasting verdrag het onmogelijk maakt, belasting over de ontslagvergoeding van werknemer X te heffen, gezien Duitsland ten tijde van uitbetaling van de ontslagvergoeding niet langer het woonland van X is. En als dan het nieuwe woonland van X bepaalt dat de belasting in het voormalig werkland van X afgedragen dient te worden, kan het door de rechtelijke situatie gebeuren, dat X geen ene cent belasting over zijn ontslagvergoeding betaalt, er dus sprake is van een dubbele “nonheffing”.

Wederzijds overleg

Om mogelijke “Nicht-Besteuerung” tegen te gaan heeft de Duitse fiscus al in 2014 afspraken tot wederzijds overleg gemaakt met landen zoals Nederland, België en Zwitserland, die ontslagvergoedingen volgens hun nationale voorschriften eventueel niet of miniem belasten; hierbij doelde de Duitse Belastingdienst op het veiligstellen van de belastingplicht in Duitsland. Een uitspraak van de Bundesfinanzhof (2015) hieromtrent had echter bepaald dat afspraken tot wederzijds overleg voor rechtbanken niet bindend zijn, gezien deze afspraken weliswaar de interpretatie van het dubbele belasting verdrag ten goede kunnen komen, maar de woordelijke inhoud van het Doppelbesteuerungsabkommen per definitie voorrang geniet. Volgens de Bundesfinanzhof moest in het voornoemde geval het recht op belastingheffing voor ontslagvergoedingen niet aan het werkland worden toegewezen, maar aan het woonland, gezien de ontslagvergoeding niet voor voormalige werkzaamheden werd verkregen, maar ter compensatie van een nadeel door de beëindiging van het dienstverband.

Om deze knopen te ontwarren heeft de Bundesrat, zoals boven vermeld, eind 2016 een regeling voorgesteld, waarna ontslagvergoedingen als “aanvullende vergoedingen voor vroegere werkzaamheden beschouwd dienen te worden”. In het boven genoemde geval van werknemer X krijgt Duitsland het heffingsrecht. Dit voorstel heeft begin van dit jaar ingang gevonden in het wetboek, de Bundesfinanzhof heeft zijn positie hierin moeten prijsgeven.

Lars Wemmers

(eerder verschenen in “Grensoverschrijdend Werken. Vakblad voor werken en wonen over de grens”, editie juli 2017)

  • gepubliceerd : maandag, 10 juli 2017