Faillissementen

Net als in Nederland kun je in Duitsland op twee manieren in aanraking komen met een faillissement: als schuldeiser of als schuldenaar. Stel, een Duitse klant heeft zijn rekeningen aan u nog niet betaald en gaat opeens failliet of dreigt failliet te gaan. Dan is het de vraag of er bij hem voor u nog iets te halen valt en hoe je dat aanpakt. U kunt natuurlijk overwegen, geleverde goederen bij de debiteur terug te halen. Voorwaarde hiervoor is echter wel dat u een eigendomsvoorbehoud bent overeengekomen.

Maar stel in het omgekeerde geval dat u zelf in de financiële problemen raakt of dreigt te raken en geen andere oplossing ziet dan de stekker uit uw Duitse vestiging te trekken. Uw bank zegt bijvoorbeeld uw krediet op, u kunt niet meer aan uw financiële verplichtingen voldoen en zoekt naarstig naar een uitweg. Moet u dan direct uw eigen faillissement aanvragen of is schuldsanering dan wel een “doorstart” nog een optie? In afwijking van Nederlands insolventierecht is men in Duitsland in het geval van betalingsonmacht verplicht, binnen drie weken nadat men hiervan kennis heeft verkregen, het faillissement aan te vragen. Hetzelfde geldt overigens in het geval van negatief eigen vermogen – een schuldenlast die niet door eigen vermogen is gedekt.

Doel van het faillissement is het gehele vermogen van de schuldenaar te verkopen en de opbrengst onder de schuldeisers te verdelen. Op deze manier probeert men de schuldeisers, die op het tijdstip van de faillietverklaring een vordering op de schuldenaar hebben, zo veel mogelijk verhaal te bieden. Nadat het vermogen van de schuldenaar is verkocht, dient de opbrengst onder alle schuldeisers verdeeld te worden. Uitgangspunt is hierbij de gelijkheid van schuldeisers. In principe deelt een ieder voor een even groot deel mee in de opbrengsten al naar gelang de hoogte van zijn vordering.