Bouwcontracten en contracten met de industrie

Het bouwcontract regelt in Duitsland de wettelijke verhoudingen tussen opdrachtgever en aannemer. Tevens kan zo’n overeenkomst betrekking hebben op de relatie tussen een hoofdaannemer en meerdere onderaannemers of toeleveranciers. Aangezien een contract van deze strekking ofwel de constructie van een gebouw of industrie-installatie in zijn geheel ofwel de fabricage van een onderdeel ervan behelst, spreekt men in Duitsland van een Werkvertrag. In de desbetreffende wettelijke voorschriften zijn zaken geregeld zoals aansprakelijkheid voor gebreken als gevolg van een gebrekkige vervaardiging, oplevering van het werk, verjaring, Bauhandwerkersicherungshypothek/ Bauhandwerkersicherungsgesetz en opzegging van het contract.

Het bouwcontract kan zowel mondeling als schriftelijk worden afgesloten. Echter, indien een bouwcontract in samenhang of in wettelijk verband met een overeenkomst inzake de aankoop van een kavel wordt afgesloten, moet hiervan een notariële akte worden opgemaakt. Dit is het geval als beide contracten overeenkomstig de wens van de contractpartners uitdrukkelijk in elkaar grijpen en van elkaar afhangen.

Buitenlandse ondernemers die in Duitsland aan de slag willen, doen er goed aan, vooraf informatie in te winnen over de inhoud van aangeleverde contractontwerpen, opdat ze eventuele risico’s goed kunnen inschatten. Daarbij is aandacht te schenken aan het volgende:

Voor werkzaamheden in de installatiesector dient men bijvoorbeeld te beschikken over een inschrijving in het Duitse register van ambachten, de Handwerksrolle. Daarnaast moeten diegenen, die in Duitsland als gas-, water- en elektrotechnisch installateur werkzaamheden willen verrichten, ook in het Installateursverzeichnis worden ingeschreven. Bovendien moeten bedrijven die door middel van lassen stalen constructies monteren over een Duits lascertificaat beschikken; de Bauaufsichtsbehörde zou anders de vakbekwaamheid van een installatiebedrijf in twijfel kunnen trekken en in het slechtste geval zelfs een sloopbesluit kunnen uitvaardigen.

Voorts dienen Nederlandse installatiebedrijven te beschikken over een vrijstellingsverklaring m.b.t. de 15-%-voorheffingsregeling. Deze regeling bepaalt dat de opdrachtgever van bouwgerelateerde werkzaamheden 15 % van het factuurbedrag moet inhouden en aan de Duitse fiscus afdragen. De fiscus verstrekt de vrijstelling wanneer er geen vermoeden bestaat dat het buitenlandse bedrijf over een fiscale vaste inrichting in Duitsland beschikt. Verder is het belangrijk het Arbeitnehmer-Entsendegesetz in acht te nemen. Deze wet baseert op de EU-detacheringsrichtlijn en verklaart bepaalde normen uit Duitse CAO’s algemeen bindend. Noodzakelijke bescheiden hieromtrent moeten in Duitsland te allen tijde bij controles kunnen worden getoond. Deze stukken (arbeidscontract, urenstaat, salarisstrook e.d.) moeten in de Duitse taal ter beschikking worden gesteld.